We dachten nog, die gaat springen…

Zoals eerder toegezegd zou ik u een aantal indringende mails laten lezen naar aanleiding van het verhaal ‘Hou Fleur in je leven.’ Voor sommigen kan het confronterend zijn en daarom hebben we de namen weggelaten. Voor de pesters is het te hopen dat ze iets hebben opgestoken van de uitzending Dag tegen Pesten op Nederland 3. En mocht u de petitie nog niet hebben getekend, doe dit dan alsnog. Er zijn u reeds 24.000 mensen voorgegaan.

Ik heb haar die dag nog zien staan. Met haar mobiel in de hand. Zag dat ze in tranen was. We wisten dat het niet goed was, maar dachten dat ze op iemand wachtte. In ons hoofd dachten we: die gaat springen…

We wisten dat ze niet lekker in haar vel zat. Hebben geprobeerd te helpen, maar het lukte niet. Ze heeft alles bij elkaar geraapt om te proberen het niet te doen, maar het lukte haar niet. Ze wist geen andere uitweg meer. We missen je…

De pesterijen houden niet op. Ik heb er geen zin meer in. Kan het gewoon niet verdragen. Waarom begrijpen ze dat niet. Terugslaan, ik durf het niet. Zelfmoord? Ja, ik heb er aan gedacht. Maar zelfs daar ben ik te laf voor…

Op de basisschool was ik altijd al het pispaaltje en op de middelbare school ging het niet anders. Ik heb me er gelukkig doorheen weten te worstelen. Al zal de schade nooit helemaal verdwijnen. Wat is het dan triest om te horen dat iemand zegt: ‘Pleeg jij maar lekker zelfmoord. Dan vieren wij daarna wel een feestje…’

Pesten maakte dat ik mijn ouders heb gesmeekt om me dood te maken. Ik was toen nog maar tien jaar. Voelde me alleen en onzeker. Mijn manier om aandacht te vragen was door mezelf te verwonden. Het hielp niet. Uiteindelijk ben ik in de psychiatrie terecht gekomen. Voer ik elke dag een gevecht met mezelf en de pijn van binnen. Pesten heeft me voor het leven getekend. Onherstelbaar kapot gemaakt…

Er is zo vaak tegen mij gezegd dat ik maar zelfmoord moest plegen. Als we gym hadden werd er in het kleedlokaal vaak aan iedereen gevraagd wie er allemaal een hekel aan mij hadden. En dan staken de meesten hun vinger op. Zonder aanleiding. Omdat ik kennelijk niet aan het verwachtingspatroon voldeed of zo.  De volgende vraag was dan steevast of het beter was dat ik maar zelfmoord kon plegen. Waarop ze dan allemaal ‘ja’ schreeuwden. Ik heb zo vaak gedacht om er maar uit te stappen. Mijn leven was zo zinloos…

Ik ben in mijn jeugd enorm gepest omdat ik anders was. Dat vonden anderen tenminste. Ik zou niet weten waarom ze dat hebben gedacht. Een pestkop weet altijd wel iets te vinden om een ander het leven onmogelijk te maken. Pesters hebben geen enkel idee wat ze aanrichten. Ik heb tot drie keer toe zelfmoord proberen te plegen omdat ik het niet meer aankon. Ik leef nog, maar voel me diep ongelukkig. Allesbehalve mooi of aantrekkelijk. Mijn jeugd is verziekt. Ik ben bang voor de toekomst.

De afgelopen weken hebben we honderden van dit soort mailtjes gekregen. Gelukkig zat er ook een aantal bij waar moed uit sprak. Kinderen die er genoeg van hadden en op hun manier duidelijk hebben gemaakt dat het afgelopen moest zijn. Misschien is het een begin.

Geen zin meer om te vechten…

Ik moet hier weg. Nee. Ik wil hier weg. Omdat het in mijn ogen geen zin heeft nog langer ergens te zijn waar je niet wilt zijn. Ik wil ontsnappen. Aan de dagelijkse realiteit. Mezelf in het niets kunnen laten verdwalen. Stilte, waarom kan ik niet een beetje stilte krijgen. Rust in mijn hoofd. Mijn gedachten op een rijtje kunnen zetten. Het lukt me gewoon niet.

En op begrip van mijn omgeving hoef ik niet te rekenen. Waarom zouden ze ook. Mijn lichaam en geest zijn stukje bij beetje aan het afbrokkelen. Ik sleep mezelf van de ene naar de andere dag. Omdat er geen andere keus overblijft.

Het begon allemaal toen ik een jaar of tien was. Ik was kennelijk een gemakkelijk slachtoffer. Omdat ik toen al niet in staat was om mensen te vertrouwen. Daar was wel een reden voor, want thuis was het allesbehalve koek en ei. De voortdurende ruzies van mijn vader en moeder hebben me mentaal gesloopt. Elke keer als ik tussenbeide probeerde te komen werd ik aan de kant geschoven. Moest me er niet mee bemoeien. Nee verdorie, maar aanhoren mocht ik wel.

Uiteindelijk barstte de bom. Werden de scheldkanonnades opgevolgd door fysiek geweld. Vertrok mijn vader. Ik ga niet met een beschuldigende vinger wijzen. Al zou ik het wel kunnen doen. Maar wat heeft het voor zin.

Ik haat mezelf dat het me niet is gelukt een beetje orde in mijn leven te scheppen. Iedereen om me heen heeft vrienden. Ik niet. Omdat ik het niet kan. Ben van nature nogal verlegen en terughoudend. En daarom krijg ik nu ook van mijn omgeving de volle laag. Op school, buiten school. Het maakt niet uit.

Ik ben het meisje dat raar doet. Niet met de pesterijen van anderen wil meedoen en dus hebben ze van mij een onderwerp gemaakt. Uitgescholden, uitgesloten van het normale schoolleven. Tussen de lessen door maar hopen dat mijn spullen nog daar zijn waar ik ze had achtergelaten. Iedere dag weer.

Ik kan het niet meer. Voel me verteerd door de gedachte dat het beter is om uit het leven te stappen. Ik heb het al meerdere keren geprobeerd te doen. Dan sta ik op een brug of op de pier. Staar eindeloos lang naar het water en durf de daad niet bij het woord te voegen. Dan voel ik me weer gefrustreerd. Door mijn eigen lafheid. In staat om mezelf te slaan. Mijn nagels diep in mijn armen te zetten. Me open te krabben. Zelfs daar heb ik het lef niet voor.

Het laatste restje energie vloeit uit mijn lichaam weg. Mijn geest is verneveld. Ik voel me slap. Kan nergens heen. En dan lees ik het verhaal van Fleur. Zo herkenbaar. Zo wanhopig op zoek naar erkenning. Ze is er niet meer. Zou ze de rust hebben gevonden die ze zocht?

Kon ze het mij maar vertellen. Misschien zou het helpen bij het nemen van een besluit. Het besluit om een einde aan mijn waardeloze leven te maken. Ontsnappen aan alle verwarring, de ongeordende gedachten. Ik heb geen zin meer om te vechten.

Janet

Naschrift: We hebben de inzender van dit verhaal absolute anonimiteit moeten beloven alvorens we het zouden publiceren. En dat besluit respecteren we. Janet is dan ook een gefingeerde naam. Wel hebben we haar enkele adressen en telefoonnummers van instanties doen toekomen waar ze hulp kan krijgen. Hopelijk doet ze er iets mee en zien we haar hier nog eens terug…

Door de duisternis opgeslokt…

Soms is de pijn te overweldigend om het te kunnen benoemen. En soms is nu. Als je niet meer weet waar naar toe, wat moet je dan. Wegkruipen in de hoop dat niemand de grimas op je gezicht ziet. De verbeten trek die slechts gedeeltelijk kan verhullen dat je lijdt? Al is het dan ook in stilte. Omdat je niet wilt dat iemand het ziet.

Godallemachtig wat heb ik me voor dat overbekende karretje laten spannen. Al die tijd geloofd dat hij het goed meende met mij. Om vervolgens op een verschrikkelijke manier te ontdekken dat ik al die tijd niet meer dan een vluchtroute ben geweest. Een opvangadres voor een harteloze man.

Een man die me alleen maar nodig had als het elders niet uitkwam. Wat haat ik hem. De woede zit zo diep dat ik moeite heb om mij te beheersen. Op mijn ene schouder zit een duiveltje dat om wraak roept. ‘Verniel zijn leven, schop zijn toekomst overhoop. Hij verdient het’, klinkt het dan. Aan de andere kant hoor ik bijna tegelijkertijd dat dit niet de manier is. ‘Laat het los. Hij is het niet waard dat je er om treurt.’

Eigenlijk moet ik blij zijn dat er geen kinderen in het spel zijn. Op deze manier wordt het een stuk gemakkelijker om afscheid te nemen. Waarom zou ik nog langer op deze aardkloot blijven rondlopen? Wie doe ik daar een plezier mee? Mezelf in ieder geval niet. Ik kan er niets aan doen.

Het pad dat mij naar een zonnige toekomst had moeten leiden bleek een doodlopende steeg te zijn. Vol schaduwen die me leken uit te lachen. Het onnozele wicht dat haar hele ziel en zaligheid in handen van één persoon had gelegd. Compleet verblind door gevoelens van liefde. Gevoelens die hij ook voor mij leek te hebben maar die ik met een ander moest delen. Mijn leven is verwoest, totaal zinloos geworden.

De dagelijkse dingen doe ik nog wel maar het lijkt allemaal zo uitzichtloos. De voldoening ontbreekt. Ik kan me nergens op concentreren, mijn hoofd tolt. Waarom heeft hij dit gedaan. Het bed waarin we zoveel liefdevolle momenten hebben meegemaakt is mijn vijand geworden. De tijd zonder hem een hel.

Er is niets waarvan ik nog genieten kan. En dus zoek ik die steeg weer op. Schreeuw om de schaduwen die me hebben uitgelachen en laat me vervolgens door de duisternis opslokken. De alarmbellen klinken. In de verte zie ik mijn verlossing…

Borrelende lava…

Bas is een kereltje van een jaar of vijf. Het is een kereltje zoals zovelen. Beweegt zich onopvallend tussen de andere kinderen. Is het typische voorbeeld van dertien in een dozijn. De blonde krullenkop is, zonder aanwijsbare redenen, constant het middelpunt van pesterijen. En het is meestal Kareltje die zich daar schuldig aan maakt.

Vaak zijn het kleine pesterijtjes zoals het afpakken van zijn schooltas. Spullen door de klas gooien of zijn jas van de kapstok halen en ergens anders verstoppen. Ook als het duo de basisschool is ontgroeid, ze de leeftijd hebben bereikt dat het vrouwelijke geslacht in beeld komt, zelfs dan kan Karel het niet laten om Bas op de huid te zitten. De notoire pestkop weet er altijd mee weg te komen.

Op zekere dag is het echter genoeg geweest. Bas pikt het niet meer. Als Karel hem voor de zoveelste keer heeft uitgedaagd, slaan de stoppen door. Alle opgekropte woede komt naar boven. Als borrelende lava uit een slapende vulkaan. Karel stond op dat moment te dicht bij de krater van de ontwakende reus. Hij komt ten val en raakt gewond. Het had niet mogen gebeuren maar het is zo gelopen. Sterker nog, het was onvermijdelijk.

Bas is nog maar negentien lentes jong als hij zich voor de mishandeling moet verantwoorden. Dan vertelt hij ook over de verschrikkelijke gevolgen die pesterijen kunnen veroorzaken. Tot aan zelfmoord toe. Daar zijn voorbeelden genoeg van. Er is begrip voor het feit dat Bas van zich af heeft gemept. Omdat Karel nou niet bepaald bekend staat als het lieverdje van het dorp.

Eigenlijk moest het wel een keer mis gaan zeggen velen nu. Wat raar dan dat ze dat niet eerder hebben ingezien. Karel tot de orde hebben geroepen voor hij een pak slaag kreeg waar hij weken later de pijn nog van heeft gevoeld. Hij zal het wel uit zijn hoofd laten om zich een tweede keer zo dicht bij de krater te wagen. Kent nu de kracht van het gevaar dat daar op hem loert.

 

 

Wanhoop, een bom en Twitter…

vuurwerkbomHet is een avond zoals zovelen zouden kunnen zijn. We zitten in een denkbeeldige leegte tussen Kerst en jaarwisseling. De gloed van de lampjes in de naaldboom zwerft door het huis. Op de televisie komen programma’s voorbij die ieder jaar rond deze tijd worden vertoond. Het lijkt alsof de maatschappij op adem moet komen. Zich prepareert op het immense vuurwerk dat het nieuwe jaar gaat inluiden. Zelfs op de social media is het betrekkelijk rustig. Zo lijkt het althans.

Ineens komt er een berichtje op Twitter voorbij. Van iemand die een explosief in handen heeft. Zelf in elkaar geknutseld. En wat daarmee moet gebeuren laat zich raden. Het ding gaat de lucht in. Samen met de drager van het projectiel. Als ik de bom op een plaatje zie schrik ik me wezenloos. Het kruit van veertig nitraatbommen zit in een potje. Een kleine lont steekt er bovenuit. Je moet er niet aan denken wat er zou gebeuren als dat tot ontploffing wordt gebracht. De klap zou enorm veel schade aanrichten. Misschien wel een mensenleven kosten.

Zou het een smakeloze grap zijn? Zo ja, dan is het een hele slechte. Of is het serieus bedoelt. Is er inderdaad iemand die zich geen raad meer weet? In dat geval moet ik snel handelen. Hoewel niet erg conventioneel probeer ik uit te vissen wat de maker voor ogen heeft. Dat wordt me al snel duidelijk. Een einde aan haar leven maken. Omdat ze dat verdient, zo zegt ze zelf.

Ik probeer haar uit alle macht aan de praat te houden. Te voorkomen dat er straks een knal klinkt die ik niet kan horen. Het aan de andere kant van de digitale lijn straks heel stil zal blijven. ‘Waar ben je? Moet ik naar je toe komen? Wil je praten?’ Nee, dat wil ze niet. Ze wil maar één ding. De voor haar alles bevrijdende dreun horen.

Alles wordt uit de kast getrokken. Ik moet zien te voorkomen dat ze het twittergesprek stop zet. Ondanks dat ze niet veel loslaat kom ik er wel achter waar ze zich ongeveer moet bevinden. Ondertussen worden hulptroepen ingeschakeld. Alle denkbare ondersteuning is welkom. Na de zoveelste poging om tot haar door te dringen gebeurt precies dat waarvoor ik had gevreesd. Ze antwoordt niet meer. Zou ze de daad bij het woord hebben gevoegd?  De bom hebben laten ontploffen?

Ze zegt dat ze het explosief heeft weggegooid en lijkt nu rustig te zijn.

Het wordt mij te link. De politie wordt gewaarschuwd. Ze kunnen in eerste instantie niet veel doen. Het te doorzoeken gebied is te groot. De informatie te summier. Ik besluit terug te bellen zodra ik meer weet. Ondertussen worden nieuwe pogingen ondernomen contact te leggen. Maar wat moet je als je slechts 140 tekens hebt om iemand te bereiken. Wat kun je doen als je niet weet met wie je werkelijk te maken hebt. Iemand die geen zin heeft om te reageren. Verdorie… Wat moet ik doen.

Na een poosje komt er toch weer een tweet binnen. Opluchting maakt zich van mij meester. Ze is nog onder ons. De vreugde is van korte duur. Haar boodschap is kort. ‘Kom maar niet. Sorry…’ De mededeling klinkt als een verkapt afscheid. Een alarmerende gedachte. De adrenaline giert door mijn lichaam. Ik grijp de telefoon en trek opnieuw bij de politie aan de bel. Geef ze wat extra aanknopingspunten. ‘We gaan kijken. Aan de hand van wat u ons nu vertelt denken we wel te weten waar en bij wie we moeten zijn’, zegt de dienstdoende agent. Het vriendelijke verzoek om mij op de hoogte te houden wordt gehonoreerd.

Het blijft daarna veel te lang stil. Naar mijn zin althans. De minuten gaan tergend langzaam voorbij. Het lijkt een eeuwigheid te hebben geduurd als de telefoon gaat. Het is dezelfde agent. ‘We hebben haar getraceerd. Ze zegt dat ze het explosief heeft weggegooid. Lijkt nu rustig te zijn. Er wordt met haar gepraat.’

Ik voel me een stuk opgeluchter nu ik weet dat alles op zijn pootjes terecht is gekomen. Omdat je nooit kunt weten of iemand zichzelf ook daadwerkelijk zal opblazen. De agent wordt bedankt voor het kordate optreden en hij bedankt mij. ‘Het is goed dat u gebeld heeft’, zegt hij. Zo heb ik het zelf ook ervaren. Had het mezelf nooit vergeven  als er een bericht in de krant was opgedoken waarin zou staan dat iemand zich van het leven had beroofd.  Zonder dat er ook maar iets was gedaan om het te voorkomen. Nu is er in ieder geval het gevoel dat je er voor iemand bent geweest. Zonder er daadwerkelijk te zijn…

Het verhaal van de kraai…

overgangIn de zomer van 2005 is mij overkomen wat elke machinist vreest, maar niet kan ontlopen. Een collega die tegelijk met mij de opleiding had gevolgd, had de pech het al op zijn eerste dag als zelfstandig machinist mee te maken. Een aanrijding. Of beter gezegd, een aanrijding met een persoon zoals we dat tegenwoordig zo netjes zeggen.

En een aanrijding met een persoon betekent in vrijwel alle gevallen zelfdoding. Ik zeg bewust zelfdoding en niet zelfmoord. Omdat ik niet geloof dat zelfmoord er zelfs in de verte iets mee te maken heeft. Het klinkt misschien pathetisch, maar bij een zelfdoding vallen alleen slachtoffers en in welke mate dat voor de zelfdoder, zijn of haar familie, de machinist, conducteur en reiziger van gradatie verschilt, valt zelfs nog te bediscussiëren.

Mij overkwam het op een wel heel bizarre manier. Een machinist had in de buurt van station Z. iemand langs het spoor zien sluipen en, omdat hij de zaak niet helemaal vertrouwde, de treindienstleider gebeld. Ik reed met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur langs het perron van dat station. Toen de treintelefoon over ging. ‘Met de machinist van trein 1694,’ zei ik, terwijl naar de linkerhoek van de stuurtafel keek om het treinnummer van de elektronica te lezen. Ik zei er zelfs, zoals ik dat altijd doe, nog ‘goedenavond’ achteraan.

Die is dood, kon ik nog net verbijsterd uitbrengen terwijl ik de remkraan in de snelremstand trok. Ook aan de andere kant van de lijn bleef het even stil.

Maar terwijl ik dat woord uitsprak, sprong er van tussen de struiken, net voorbij het perron, een schim naar voren. Een fractie van een seconde later, zonder werkelijk een klap tegen de voorkant te maken, kon ik die schim onder de trein door horen rollen. Weerloos opgeworpen door houten dwarsliggers en weer neergeslagen door luchtketels en elektrische apparatuur aan de onderkant van de trein.

Die is dood, kon ik nog net verbijsterd uitbrengen terwijl ik de remkraan in de snelremstand trok. Ook aan de andere kant van de lijn bleef het even stil. Vanaf dat moment ging het circus van start. Dat is niet oneerbiedig bedoelt, maar er waren zoveel mensen bij de afhandeling van de aanrijding betrokken dat ik er wat hulpeloos bij stond.

Politie, ambulance, lijkwagen, brandweer en functionarissen van Prorail en NS. Dat ik stilstond langs een sloot maakte de zaak nog ingewikkelder. Er werd vanaf het perron van Z. een taxi voor mij en de conducteur geregeld. Maar omdat we – ondanks de lage snelheid – enkele honderden meters verderop stonden, betekende dat voor ons dat we door de ballast naar het station terug moesten lopen.

Een stuk folie bedekte het lijk. Als een vierkant pakketje. Zonder hoofd, zonder ledematen.

De politie, die inmiddels bezig was zoveel mogelijk resten van het slachtoffer in vuilniszakken te verzamelen, keek ons wat meewarig aan. Te kleine stukjes bot of restanten lieten ze achter voor de vogels. De rondcirkelende kraaien… Iets waar ik nog nooit over had nagedacht. Ik zag nog enkele stukjes halfrond, opvallend blank bot liggen, vermoedelijk van de schedel. Het lag onder het door de hoofdconducteur geplaatste folie. Dat bedekte het lijk. Als een vierkant pakketje. Zonder hoofd, zonder ledematen. Achterom kijkend zag ik dat de brandweer de voorkant van de trein schoon spoot om een nieuwe machinist de gelegenheid te geven de reizigers naar hun plaats van bestemming te brengen. Het beeld had iets onwerkelijks.

Na een obligaat gesprekje met de wachtdienst op H. vertrok ik alleen met de trein richting Eindhoven, mijn standplaats. Ook daar een kort gesprekje en eindelijk naar huis. Het zou niet zo vervelend zijn geweest als de hele zaak daarmee was afgehandeld. Mijn eigen manager moest echter nog bellen en ik moest nog een verklaring bij de spoorwegpolitie afleggen. Zij waren die avond op H. niet meer beschikbaar.

Het gevoel dat de zaak niet helemaal afgehandeld was maakte me onrustig. Het was nog geen afgerond geheel en daardoor onverwerkbaar. Het feit dat mijn manager tegen de afspraak in pas de volgende middag belde en niet ’s morgens, maakte het er samen met de bijna ondraaglijke hitte buiten niet beter op. De verlossing kwam pas een paar dagen later. Na een telefoontje van een politieman uit H.

Hij was namelijk tot de ontdekking gekomen dat zijn rapport nog niet volledig was. Ik had nog geen verklaring afgelegd. Na wat geruzie over wie met wie contact had moeten opnemen, kreeg ik een dossiernummer van hem waarmee ik naar de spoorwegpolitie in Eindhoven kon gaan. Ook drukte hij me op het hart de aangifte naar H. te laten sturen. Blij dat ik de zaak kon afronden begaf ik mij naar het station. De politiefunctionaris aldaar was echter onverbiddelijk. ‘De aanrijding heeft plaatsgehad bij Z. en dat valt onder S. dus gaat het dossier naar R.’

Eén ding zou ik wel graag weten en dat is het verhaal achter haar daad.

Ik had geen enkele behoefte daar iets tegen in te brengen. ‘Heb je nog ergens last van gehad?’, vroeg hij me terwijl hij het dossiernummer op zijn computer intikte.  ‘Ik heb eigenlijk nauwelijks iets gezien. Een glimp die mijn onderbewuste interpreteerde als een mens. Ik kon niet eens zien of het een man of vrouw was’, luidde mijn antwoord. Dat laatste was niet helemaal waar. Want hoewel ik het zelf niet had gezien, had de hoofdconducteur een identiteitsbewijs van een jonge vrouw gevonden. Vermoedelijk van het slachtoffer.  ‘Dat is maar beter ook,’ zei de agent. En terwijl hij op de Enter-knop drukte verschenen alle persoonsgegevens van de jonge vrouw op het scherm.

Ik besloot er niet op te reageren. Mijn hoofd en tikje weg te draaien. De zaak was rond, ik had er vrede mee. Ik hoop dat het slachtoffer gevonden heeft wat ze zocht. Haar naam is voor mij niet zo belangrijk. Eén ding zou ik wel graag weten en dat is het verhaal achter haar daad. Maar tenzij ze nauwkeurig een dagboek heeft bijgehouden, heeft ze dat verhaal meegenomen in haar graf. Of – en dat vind ik misschien wel een mooiere gedachte – in losse woordjes verspreid via tientallen kraaien en kraaiachtigen die waarschijnlijk nu nog boven het spoor cirkelen.

Bovenstaande is een waargebeurd verhaal, maar om redenen van privacy zijn treinnummer, (eerste letters van) plaatsnamen en enkele andere gegevens gefingeerd…….